Wie Joden minacht, vervloekt hen al

Geplaatst op vrijdag 3 maart 2017, 12:09 door Dirk van Genderen

Komende week viert het Joodse volk het Poerimfeest, waarop wordt gevierd dat het volk werd gered van de totale vernietiging. In deze tijd van toenemend antisemitisme is het zeer zinvol om stil te staan bij de heldendaad van de Joodse koningin Esther tegenover de gluiperige antisemiet Haman.

 

In het boek Genesis maakte God een eeuwigdurend verbond met Abraham en zijn nakomelingen, zonder voorwaarden vooraf. God zei: ‘Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken’ (Genesis 12:3).

Het is goed om het Hebreeuws erbij te pakken. Daar worden voor ‘vervloeken’ in dit vers twee verschillende woorden gebruikt. De eerste keer, in de zinsnede ‘…wie u vervloekt’, wordt het woord ‘m’kalelcha’ gebruikt. De tweede keer, in de zinsnede ‘…zal Ik vervloeken’ wordt het woord ‘arar’ gebruikt.

De eerste keer dat we ‘arar’ in de Bijbel tegenkomen, is wanneer God de slang vervloekt in de Hof van Eden (Genesis 3:14).
Het woord m’kalelcha komt van de stam kalal en betekent lasteren, behandelen met minachting, verachten, minderwaardig behandelen.

Wie zijn de nakomelingen van Abraham? Dat is letterlijk het Joodse volk, hij was de aartsvader, de stamvader. Maar Abraham is tegelijk ook de vader van alle gelovigen.

Er is dus al sprake van het vervloeken van de (lichamelijke) nakomelingen van Abraham wanneer het Joodse volk met minachting wordt behandeld.
Ik meen dat je hieraan mag toevoegen dat wanneer de geestelijke nakomelingen van Abraham, de gelovige christenen, slecht worden behandeld, er ook sprake is van vervloeken.

Het is volstrekt duidelijk dat antisemitisme valt onder het vervloeken van de nakomelingen van Abraham. Zoals we al zagen, is antisemitisme niet alleen haat en geweld tegen het Joodse volk, maar het is ook het minachten van de Joden, het belachelijk maken van hen.
God spreekt een vloek uit over hen die de nakomelingen van Abraham, Izaäk en Jakob met minachting behandelen, of we dat zelf doen, als kerk, als land, vanuit de politiek of als terreurorganisatie.

In het boek Esther lezen we over Haman, de Agagiet (Esther 3:1). De Jood Mordechai boog niet voor Haman, waarop hij zich beledigd voelde. Toen hij hoorde dat Mordechai een Jood was, ontstond er een boosaardig plan in zijn hart. In Esther 3:6 lezen we: ‘Maar het was in zijn ogen verachtelijk om alleen aan Mordechai de hand te slaan, want zij hadden hem verteld tot welk volk Mordechai behoorde. En Haman zocht een manier om alle Joden, die in heel het koninkrijk van Ahasveros waren, het volk van Mordechai, weg te vagen.’
Het lot werd geworpen, het zogenaamde pur – vandaar het purimfeest – en de dag werd vastgesteld waarop het Joodse volk zou worden omgebracht: de dertiende van de twaalfde maand, de maand Adar.

Haman vervloekt het volk van de Joden. Antisemitisme. En zijn vrouw en zijn adviseurs voelen aan dat dit niet goed zal aflopen.
We lezen namelijk in Esther 6:13 – ‘Als Mordechai, voor wie u begonnen bent te vallen, uit het geslacht van de Joden is zult u tegen hem niets kunnen uitrichten, integendeel, u zult zeker voor hem ten val komen.’

De vloek van de Heere over Haman werd zichtbaar in het oordeel dat hem trof. Toen Esther aan de koning vertelde wat Haman van plan was, gaf hij direct opdracht Haman te hangen aan de galg die hij bij zijn huis voor Mordechai had gemaakt, vijftig el hoog (Esther 7:9 en 10).

Het Joodse volk overleefde door Gods genade het valse plan van Haman. Het volk kreeg van de koning alle vrijheid om zichzelf te verdedigen. God redde Zijn volk. De vloek die over hen was uitgesproken, trof niet hen, maar degenen die zich tegen hen keerden.

Deze geschiedenis is een waarschuwing tegen allen die zich keren tegen Israel, tegen het Joodse volk. Zij brengen zichzelf in gevaar, omdat ze zich ten diepste keren tegen de God van Israel.

In Psalm 83 lezen we:
3. Want zie, Uw vijanden tieren,
wie U haten, steken hun hoofd omhoog.
4. Zij beramen listig een heimelijke aanslag tegen Uw volk
en beraadslagen tegen Uw beschermelingen.
5. Kom, zeiden zij, laten wij hen uitroeien, zodat zij geen volk meer zijn en aan de naam van Israel niet meer wordt gedacht.

Nog steeds zijn deze woorden actueel. Er zijn ook anno 2017 Hamans. Kijk naar Hamas, naar IS, naar Hezbollah, naar Fatah, naar Iran… en naar alle landen die Israel telkens weer veroordelen via de Verenigde Naties en via Europa.

Maar ik denk ook aan alle theologen die zich keren tegen Israel en tegen het Joodse volk. Wie met de Bijbel in de hand beweert dat Israel heeft afgedaan, dat er geen toekomst meer is voor het Joodse volk en dat de kerk in plaats van Israel is gekomen, vervloekt Israel, in de eerder genoemde betekenis van kalal.

Veel kerken, veel christenen, hebben de eeuwen door te weinig de betekenis van de woorden uit Efeze 2:14-16 begrepen.
‘Want Hij is onze vrede, Die beiden één gemaakt heeft. En door de tussenmuur, die scheiding maakte, af te breken, heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees teniet gedaan, namelijk de wet van de geboden, die uit bepalingen bestond, opdat Hij die twee in Zichzelf tot één nieuwe mens zou scheppen en zo vrede zou maken, en opdat Hij die beiden in één lichaam met God zou verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft.’

Gelovigen uit de Joden en gelovigen uit de heidenvolken zijn één geworden in Christus. En gelovigen hebbenuit de heidenen geen enkel recht om Joden die niet in de Heere Jezus geloven, af te schrijven en te veroordelen. Dat is in het verleden gebeurd, te vaak, dat gebeurt ook in het heden. En dat is, hoe hard het ook klinkt, het ‘vervloeken’ van de nakomelingen van Abraham.

Laten we Israel, het Joodse volk, niet vervloeken, maar zegenen. Toon Gods liefde aan hen en zwijg niet over hun en onze Messias, Jesjoea, de Heere Jezus, Die ook hen wil redden.

En laten we in deze week van het Poerimfeest alert zijn op antisemitisme. Aarzel niet om mensen aan te spreken die negatief over Israel of het Joodse volk spreken, ook al is het in uw kerk of gemeente.
‘Troost, troost Mijn volk, zal uw God zeggen, spreek naar het hart van Jeruzalem…’ (Jesaja 40:1).

Dirk van Genderen
(met dank aan Messianic Bible)

Bron: http://www.dirkvangenderen.nl