Werkelijkheid speelt kennelijk geen rol

De moslims van nu zijn niet de Joden van toen. Gelukkig!

Screen+Shot

Column Leon de Winter

Ian Buruma is een boeiende man met een indrukwekkende loopbaan. Hij heeft zich als Nederlander weten te onderscheiden in Engelstalige media en is hoogleraar aan een belangrijke Ivy League universiteit. Hij heeft een grote reeks boeken geschreven, aanvankelijk over Aziatische onderwerpen (hij is sinoloog en japanoloog) maar heeft zich de afgelopen tijd breder gemanifesteerd.

Zijn boek over de stemming in Nederland na de dood van Theo van Gogh, Murder in Amsterdam (2006), was echter teleurstellend. Hij nam afstand van Ayaan Hirsi Ali en schilderde de groep mensen rondom Ayaan, onder wie Afshin Ellian, af als hysterici die qua intentie net zo extremistisch waren als radicale moslims. Dat was volstrekt onterecht. Als de steungroepen rond Ayaan extremistisch waren, waren ze extremistisch in hun liberalisme. En dat is een welkome vorm van extremisme.

In NRC-Handelsblad publiceerde Buruma afgelopen vrijdag een curieus artikel onder de kop ’Antisemitisme komt ook van links’ – voor een linkse man als Buruma een opmerkelijke kop. Maar de kop was misleidend. Het ging Buruma om een ander soort sentiment: het anti-moslimsentiment.

Het venijn zit in de staart van het artikel. Buruma breekt de lijn van zijn betoog af – links antisemitisme – en richt hij zijn pijlen op Geert Wilders. Dan volgt deze alinea: „Opvallend is hoe vaak oude antisemitische vooroordelen weer opduiken in de retoriek van deze dwepers met Israël, of althans met Israël onder de Likoedregering. Maar ditmaal zijn niet de Joden het doelwit, maar moslims. Moslims kunnen niet integreren in het Westen, laat staan loyale burgers worden. Moslims scharen zich altijd bij elkaar. Moslims liegen tegen iedereen buiten hun geloofsgemeenschap. Moslims zijn onbetrouwbaar, een vijfde colonne en erop gebrand om de wereld te domineren. Islam is onverenigbaar met ’westerse waarden’. Etcetera.”

De werkelijkheid van alledag speelt voor Buruma geen rol: niets over de hevige antisemitische tendensen onder Europese moslims, niets over de bewaking van Joodse instellingen – in elk Europees land – tegen dreigend islamitisch geweld, niets over de landen van herkomst waarmee vele Nederlandse moslims met een dubbele nationaliteit zich meer lijken te identificeren dan met hun huidige woonlanden, niets over de aanpassingsproblematiek met hoge werkloosheid en hoge criminaliteitscijfers.

Zoveel nuancering kon Buruma, redenerend vanuit zijn dwingende progressieve opvattingenschema, niet opbrengen. Als moslims in Nederland zouden worden achtergesteld omdat zij moslims zijn, zou dat een onacceptabele vorm van discriminatie zijn – maar de talloze miljarden die in integratie en hulpprogramma’s en sociale uitkeringen zijn gestoken, laten een ander beeld zien: de problematiek die grote groepen moslims in hun landen van herkomst kennen, nemen zij mee naar hun landen van aankomst, en de enorme steun heeft minder effect dan beoogd. En dit is in heel Europa waarneembaar. Ofwel: het gaat niet om specifieke immigratieproblemen in een bepaald Europees land, of om Geert Wilders, het gaat om migratieproblemen van grote groepen moslims in elk Europees land waarheen zij gemigreerd zijn.

Meer dan zeventig procent van Turkse Nederlanders heeft bij de laatste Turkse verkiezingen op de islamistische partij van Erdogan gestemd: het zijn naakte cijfers die iets vertellen over de opvattingen van deze groep Nederlanders, die daarmee kenbaar maken dat zij de liberale cultuur van het radicaal tolerante Nederland niet hebben geïnternaliseerd. Inderdaad: daarmee wekken zij de indruk meer loyaliteit te kennen ten aanzien van het land van herkomst dan van het bijzondere land van aankomst dat de migrant zoveel heeft gegeven.

Buruma brengt kunstmatig vergelijkingen aan tussen Jodenhaat en moslimhaat. Hij schrijft: ’Ranzige oude vooroordelen […] worden gebruikt om een ongeliefde minderheid uit te sluiten’. Geen samenleving is gevrijwaard van xenofobie, maar van het uitsluiten van moslims (op uitzonderingen na) vanwege het moslimzijn is geen sprake in West-Europa.

Buruma, als lid van de supranationale linkse intelligentsia, durft het ten aanzien van moslims niet aan om culturele en religieuze kenmerken in het ’discours’ te betrekken. Hij kon dat wel – met virtuositeit – ten aanzien van China en Japan, maar als het om de islam gaat, trekt hij linkse taboemuren op. De positie van de moslim in Europa wordt door intellectuelen als Buruma gelijkgesteld aan de positie van de Joden van de Tweede Wereldoorlog. Dat is een immorele en historisch onmogelijke gelijkstelling qua intentie, omvang, consequenties. Door die gelijkstelling wordt de discussie over de rol van de islam in Europa, en over de maatschappelijke problematiek waarmee moslimmigranten worstelen, op een ruwe manier monddood gemaakt, want wie wil medeplichtig zijn aan een nieuwe potentiële massamoord?

Buruma is een krachtig denker, en goede stilist. Maar hij vliegt uit de bocht wanneer hij zich in de discussie over de islam in Europa begeeft. De linkse reflex – ’Islamofobie! Moslimhaat!’ – is inmiddels zó misplaatst in de context van de omvangrijke integratieproblematiek van grote groepen moslims, dat het lachwekkend wordt. Dat was zijn recente artikel helaas. De moslims van nu zijn niet de Joden van toen. Gelukkig.

Bron: http://www.telegraaf.nl