Hillary, president van culturele snobs

GLDCR4H5

Column: Leon de Winter

Bachs Dubbelconcert hoorde ik voor het eerst in 1973, toen het werd uitgezonden op de Nederlandse TV. De prachtige Emmy Verheij naast Yehudi Menuhin. Het was voor mij het moment waarop ik klassieke muziek voor het eerst bewust mocht ervaren.

Mijn ouders waren operetteliefhebbers, en het meest klassieke waarvan zij genoten waren Puccini en Verdi. Na de vroege dood van mijn vader luisterde mijn moeder soms Madama Butterfly, maar dat gebeurde niet vaak omdat het haar teveel aangreep.

In die tijd hadden we nog maar een paar zenders, en mijn moeder zei die avond dat er niks op TV was. Ze ging vroeg naar haar eenzame bed. Maar ik bleef en viel in het Dubbelconcert. De wereld lichtte op. De kosmos en de Big Bang hadden wel degelijk zin: Bach liet ons delen in die zin van overweldigende schoonheid.

In de jaren die volgden schreef ik bij Bach, ademde ik bij Bach. Maar ik vergat nooit de muziek van mijn jeugd. Ik ben bij concerten van André Rieu geweest, en ik deel de geestdrift van het publiek terwijl ik denk aan de verrukte glimlach waarmee mijn ouders thuis bij de melodieën van Strauss een walsje uitprobeerden.

Ik wil André Rieu (die ik persoonlijk ken en waardeer) noch Johann Strauss een politiek etiket opplakken: ik wil het over de diepe culturele verschillen hebben die Amerika verscheuren en die me doen denken aan Bach en Strauss.

Er bestaat wel degelijk zoiets als het cultureel-politieke complex, een informeel netwerk van politieke en culturele en journalistieke organisaties die, met alle varianten, een en dezelfde agenda nastreven: de progressieve. In Amerika worden de grote tv-netwerken evenals de filmstudio’s, de meeste kranten, scholen en universiteiten en cultuurtempels, geleid door het cultureel-politieke complex. De leden daarvan delen een wereldbeeld, modes, grillen, normen en waarden, en zij beoordelen wat hun ideeën bevestigt of verwerpt. ’Berufsverbote’ zijn daar normaal. Ik ken talentvolle mensen in Hollywood die door hun conservatieve opvattingen geen werk meer krijgen en paria zijn geworden (een uitzondering is Clint Eastwood). Pauline Kael was filmcritica van The New York Times en een voorbeeld van de arrogante snobs die op dit moment in Hillary Clinton hun heldin vinden. Toen in 1972 Richard Nixon de verkiezingen won, maakte Kael de beruchte opmerking: ’Hoe kan dat nou? Niemand die ik ken heeft op hem gestemd.’

Inderdaad, in haar wijk van Manhattan kende zij niemand die afweek van het profiel van de New Yorker die links, welvarend en hoogopgeleid was. Kael leefde in haar volmaakte New Yorkse cocon met leefwijzen en rituelen die haar culturele subgroep kenmerkten en cohesie gaven: dezelfde winkels, dezelfde concerten, restaurants, kranten, dezelfde vakantiebestemmingen.

Ik denk dat Pauline Kael de concerten van André Rieu niet zou hebben gewaardeerd. Als snob zou zij zich niet hebben kunnen overgeven aan Rieu, die (dank zij veel oefening en discipline en talent) tijdens zijn concerten zijn levenslust de vrije teugel geeft. Er zijn kringen waarin Rieu ’niet mag’. Zijn muziek wordt gewaardeerd door een publieksgroep die je zelden bij het Holland Festival zult aantreffen. Het zijn de mensen die buiten de kernen van de culturele centra leven en de trends niet volgen, mensen zoals mijn moeder was.

Ik denk dat mijn moeder de woningen van Donald Trump mooi zou hebben gevonden. We hadden thuis in de ’nette’ zitkamer een kristallen kroonluchter waarop mijn moeder trots was. Haar smaak was uitbundig, net als die van The Donald. Ik kijk er niet op neer. Mijn moeders smaak was een oprechte uiting van haar afkomst en aspiraties, zoals Trumps marmeren en vergulde paleizen de zijne uitdrukken.

Hillary Clinton vertegenwoordigt de culturele snobs. Ze hebben de macht in de arena’s van de media en de kunsten. We hebben ze in Nederland ook, van de omroepen tot organisaties die culturele subsidies beoordelen. Ze drukken de waarden uit van gelijkgezinden en bekijken je met dedain als je zegt (’bekent’) dat je begrijpt wat de mensen beweegt die Rieu aanbidden.

Toen Ronald Reagan zich aandiende als presidentskandidaat, werd hij door het cultureel-politieke complex uitgemaakt voor alles wat smerig was. Hij was dom, achterlijk, een clown, gevaarlijk, vrouwvijandig, homofoob, goedkoop – o ja, hij was ook een racist. Pas veel te laat – verblind door demoniserende media – kon ik in hem de grote president zien die hij was.

Ook in onze media zien en horen we de snobs en meelopers van het cultureel-politieke complex tekeergaan. De misstappen van Clinton worden genegeerd of gerelativeerd, die van Trump monsterachtig uitvergroot.

Het is moeilijk in deze orkaan de niet-linkse stemmen te horen, of te beseffen waarom Trump door de helft van alle Amerikanen wordt gewaardeerd. Hillary noemde die potentiële Trump-stemmers ’beklagenswaardig’ – ze nam het daarna terug, maar ze liet even zien wie zij was: een arrogant lid van het cultureel-politieke complex.

Mijn moeders kroonluchter heb ik geërfd. Kristal en verguld metaal. Hij hangt in de hal van mijn huis. In de loop der jaren is het ding steeds mooier geworden.

Bron: http://www.telegraaf.nl