Het onbegrip van moderne pacifisten

Postmoderne Europese pacifisten hebben een voorliefde voor dode Joden. Levende en vechtende Joden vinden ze erg ingewikkeld.

2leon+de+winter+columnisten2Leon de Winter

Waarom hebben de Joden zich ten tijde van de Holocaust als lammeren naar de slachtbank laten leiden? Het antwoord luidt: omdat ze zich niet konden voorstellen hoe beestachtig het nazisme was. En toen ze het zich wel konden voorstellen, zoals in het getto van Warschau, toen hebben ze gevochten. Vorige week was het drieënzeventig jaar geleden dat de opstand in het getto van Warschau letterlijk doodbloedde.

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog leefden er drie miljoen Joden in Polen; dat was iets minder dan twintig procent van alle Joden in de wereld (nog steeds is dat globale bevolkingsaantal van 1940 niet ingehaald). In de Joodse wijk van Warschau, die werd ommuurd en afgesloten, werden een half miljoen Joden opgesloten. In augustus en september 1942 deporteerden de nazi’s 300.000 Joden naar vernietigingskamp Treblinka, een plaatsje zestig kilometer ten noordoosten van Warschau. Wat op zestig kilometer afstand van het getto plaatsvond, onttrok zich nog een tijdje aan het voorstellingsvermogen van de Joodse Raad van het getto. Maar na de massale deportaties werd het langzaam duidelijk wat de nazi’s beoogden; de vernietiging van het Europese jodendom. Er waren in het getto nog 50.000 Joden over. Hun leiders besloten in opstand te komen en zich dood te vechten.

In korte tijd werden delen van het getto omgebouwd tot vestingen. En op 18 januari 1943 barstte de strijd los. De opstand was zo hevig dat deportaties niet meer konden worden uitgevoerd. Op een gegeven moment konden Duitse eenheden het getto niet meer betreden door de felle tegenstand.

De opstand duurde een kleine vijf maanden, een wonderlijk lange periode gezien de machtsverhoudingen. De laatste reeks schermutselingen begon op 19 april 1943 en duurde een aantal dagen, maar tot ver in mei 1943 slaagden kleine Joodse eenheden erin de Duitse overmacht verliezen toe te brengen. Op 8 mei maakten de leider van de opstand, Mordechai Anielewicz, en zijn groep in het huis met adres Ulica Mila 18 een einde aan hun leven. Leon Uris, de grote Amerikaanse verhalenverteller, heeft dat adres in zijn roman Mila 18 onsterfelijk gemaakt; ik las het als tiener, en ik ben er toen wekenlang kapot van geweest.

SS-Gruppenführer Jürgen Stroop, de commandant van de Duitse troepen, gaf opdracht het getto met de grond gelijk te maken. Het ging in vlammen op – het hart van Warschau bestond niet meer. Zevenduizend Joodse strijders sneuvelden tijdens de opstand. De 40.000 overlevenden werden naar Treblinka gedeporteerd, waar ze alsnog werden vermoord. Een kleine 12.000 Joden, van de half miljoen die er ooit waren samengebracht, overleefden op de een of andere manier het getto en de kampen. Dat is tweeënhalf procent.

In antizionistische kringen is het modieus om Gaza te vergelijken met Warschau.

In Gaza leefden in 1967, toen Israël dit kleine gebied bezette (het is een fractie groter dan de gemeente Apeldoorn), 350.000 mensen. Volgens een rapport van de VN bedroeg hun levensverwachting in 1967 gemiddeld 48 jaar. In 1975 was de levensverwachting naar bijna 57 gestegen en in 1985 naar 66. De levensverwachting bedraagt nu 75 jaar, hoger dan Turkije of Brazilië. En de bevolkingsomvang? Die is nu bijna 1,9 miljoen mensen. Ofwel: sinds de Israëlische bezetting vervijfvoudigde de bevolking van Gaza. En in het getto van Warschau? Daar werd 97,5 procent van de bevolking door de nazi-bezetter vernietigd.

Vorige week zond het NOS Journaal een item uit over Gaza. De correspondente stond op een mooi aangelegd plein, achter haar passeerden auto’s. Maar ze liet niet zien dat de winkels vol goederen en voedsel liggen. Dat is mogelijk omdat elke dag 2500 truckladingen voedsel, medicijnen en materiaal Gaza binnenkomen. Elke dag. In elke opzicht hebben de Gazanen het vanaf 1967 beter gekregen – het zijn feiten die antizionisten verdoezelen. Ze vergelijken liever Israëlische Joden met nazi’s.

In een interview in de Volkskrant van dinsdag sprak Claude Lanzmann, de maker van Shoah, een van de meest indrukwekkende documentaires die ooit zijn gemaakt, de rauwe woorden: „De Shoah was niet alleen een slachting van onschuldigen, maar ook van mensen die zich niet konden verdedigen. Joden kunnen nu vechten. Ze weten hoe te doden. Dat is heel belangrijke kennis.”

Deze woorden laten zien dat Lanzmann aanvaardt op welke bittere manier de Joodse staat zich in het Midden-Oosten staande moet houden. De journalist van de Volkskrant noteert ze in verwarring, waarna hij de vraag stelt – ins Blaue hinein, alsof de vraag met het thema van Israëlische weerbaarheid te maken zou hebben – wat Lanzmann vindt van een Israëlische soldaat die een gewonde Palestijnse messensteker ‘in koelen bloede doodschiet’ (een incident dat al weken de gemoederen in Israël bezighoudt).

De levende, vechtende erfgenamen van het getto van Warschau worden gewantrouwd en weggezet als nazi’s. Hoe reageerde Lanzmann op die vraag van de Volkskrantjournalist? Lanzmann maakte direct een einde aan het interview.

Postmoderne Europese pacifisten hebben een voorliefde voor dode Joden. Levende en vechtende Joden vinden ze erg ingewikkeld.

Bron: http://www.telegraaf.nl