De grenzen van de verzorgingsstaat

Foto: De Telegraaf / Leon de Winter

Het blijft het essentiële conflict in de Europese verzorgingsstaten, ook al zullen politici het nooit op deze manier verwoorden: kan een verzorgingsstaat een immigratiestaat worden? Het is een retorische vraag, want het antwoord luidt néé. De voorwaarden voor een succesvolle verzorgingsstaat zijn gevormd in de loop van eeuwen waarin de betrokken volken zichzelf calvinistische discipline, individualisme, uitvoerige educatie en de scherpe scheiding van kerk en staat hebben opgelegd, met als gevolg – en dat is de indrukwekkende paradox van ons land – een hoge mate van onderlinge solidariteit.

De politieke discussies die we de afgelopen dagen hebben mogen gadeslaan, gaan in feite over de details van de verzorgingsstaat. Ofschoon er hier en daar over de grenzen van het verzorgen door de staat wordt gesproken, vinden zo goed als alle Nederlandse burgers dat het vanzelfsprekend is dat een overheersende overheid hun gehele leven reguleert, en onze politici twijfelen daar evenmin een seconde aan.

De verzorgingsstaat bestaat niet zo lang. Veel taken die we aan de overheid overlaten, waren taken waarvoor in het nabije verleden families zich inzetten, of organisaties die die taken meestal vanuit een religieus oogpunt op zich hadden genomen (het verzorgen van zieken was in de vroege Middeleeuwen voor nonnen en monniken een religieuze opgave; uit hun gasthuizen ontstonden de ziekenhuizen). De overheid haalt meer dan vijftig procent van wat de Nederlanders verdienen op, en herverdeelt dat volgens de programma’s van de politieke gezindheid. Dit is waar de discussies zoals in Carré over gaan: hoe verdeel je die gigantische belastingopbrengst? We zagen en hoorden dat die discussies niet gaan over fundamentele verschuivingen. Op de keper beschouwd zijn zelfs de verschillen tussen de VVD en de SP marginaal; niemand stelt de basis van de verzorgingsstaat ter discussie, want de belastingopbrengsten blijven hoog, ook in tijden van crises, en de maatschappelijke rust die door dit model ontstaan is, is uniek.

Alle discussies in Carré waren in feite doortrokken van één begrip: onderlinge solidariteit. Dat is nodig in een samenleving met 778.000 arbeidsongeschikten, 426.000 werklozen, 554.000 bijstandsontvangers en 3,36 miljoen AOW’ers (cijfers CBS per januari 2016).

Solidariteit is de basis van de verzorgingsstaat. Het is een begrip dat je niet kunt afdwingen. Daar zijn eeuwen voor nodig geweest en forse injecties calvinisme (alle succesvolle verzorgingsstaten zijn gebouwd op een protestants fundament). De Nederlanden hebben ten diepste geleden onder religieuze tegenstellingen; daarna kon in dit land van minderheden onderlinge solidariteit groeien, mede dankzij de relatieve betrouwbaarheid van regenten en elites voor wie een woord een woord was.

Een verzorgingsstaat is niet alleen een formeel model van pragmatici, maar een levende gemeenschap van hoogopgeleide individuen die een groot deel van hun autonomie hebben afgestaan aan een collectief van beroepspolitici, en deze politici dienen behoedzaam en zorgzaam om te gaan met ’de vruchten van uw arbeid’, zoals de Statenvertaling zegt.

Er zijn verzorgingsstaten, zoals Australië en Canada, die hoge opleidingseisen stellen aan migranten; daarmee wordt een selecte groep migranten toegelaten die zich soepeler kan schikken in het veeleisende model van de verzorgingsstaat. In een periode waarin Nederland arbeidskrachten nodig had door explosieve economische groei, werden ’gastarbeiders’ naar Nederland gebracht; velen laagopgeleid en zelfs analfabeet. Zij keerden niet terug naar het land van oorsprong; zonder dat daarover een essentieel debat werd gevoerd, werd Nederland een immigratieland. Maar hoe breng je mensen uit een collectivistische of tribale religieuze cultuur de eigenschappen bij die noodzakelijk zijn voor het bestaan in een moderne, tolerante, en uiterst vrijzinnige verzorgingsstaat?

Het CBS berichtte twee jaar geleden dat zeventig procent van de Somaliërs in Nederland een bijstandsuitkering heeft. Slechts één op de vijf had werk. Het CBS meldde toen: „Ook ruim de helft van de mensen met de Syrische, Iraakse of Eritrese nationaliteit heeft bijstand. Het gaat vooral om voormalige asielzoekers.”

Buiten het verzorgingsmodel is het duidelijk: zolang er ruimte is in een immigratieland, is iedereen die kan werken welkom, en zonder werk ga je dood als je geen familie hebt. Maar in een verzorgingsstaat? Het niet-bijdragen is een essentieel moreel en ethisch probleem; de onderlinge solidariteit, de brandstof van de open samenleving, wordt erdoor ondermijnd. Hoeveel niet-bijdragende migranten kan of wil een verzorgingsstaat opnemen?

In 2050 zullen naar schatting in Afrika 2,2 miljard mensen leven. Daarvan zouden er 800 miljoen naar Europa willen vluchten, weg van armoede en gebrek, zo heeft de Duitse onderzoeker Gunnar Heinsohn berekend. Europa zou in dat jaar naar schatting 700 miljoen inwoners tellen. Een dergelijke migratie zou het einde betekenen van de moderne Europese verzorgingsstaat en van de Europese vrede.

Wat zijn de grenzen van de verzorgingsstaat? Hoeveel niet-werkende Somaliërs zijn burgers bereid op te nemen? Natuurlijk moeten onze politici in de verkiezingsstrijd over zorg en scholing praten, maar de angel van onze tijd, de ’olifant in de kamer’, is migratie. Niet omdat we bang zijn voor andersdenkenden, maar omdat de verzorgingsstaat alleen in leven blijft wanneer burgers onderling solidair en loyaal zijn, moeten er eisen gesteld worden aan migratie. Een verzorgingsstaat met de open grenzen van een immigratiestaat is gedoemd onbetaalbaar te worden.