Wat is de bedoeling van Paulus’ brief aan de Romeinen?

(I en II)

Trudie G.A. van der Spek-Begemann, in: tijdschrift Israël en de kerk, september en december 2015

i286260064313732099._szw480h1280_

De inspiratie voor dit artikel komt voort uit de herhaalde lectuur van de brief, en het besluit tot dit artikel heeft als achtergrond dat vooral in orthodoxe kringen de interpretatie nog altijd berust op die van Luther, een interpretatie die ervoor gezorgd heeft dat nog steeds voor veel christenen een bedekking ligt op de Schrift wat betreft Israël. Zo ben ik ook opgevoed: deze brief heeft Luther afgeholpen van zijn wanhopige pogingen om de wet te volbrengen en in de hele kerk was het te horen: er is redding van het oordeel sola fide, sola gratia. Zo herinner ik mij de catechisaties en de preken: daar gaat het om.

alleen vroeger?

Vandaag weet iedereen langzamerhand wel dat 9-11 gaat over Israël, maar die hoofdstukken liggen toch voor velen nog steeds lastig, passen niet goed in het gangbare gedachtenpatroon en hebben voor hen in de brief een ondergeschikte positie. Als er vroeger al uit gepreekt werd ging het over de verkiezing en de verwerping van Jakob en Ezau (9:13). Ook die passage werd christelijk onder de paraplu gebracht van het reformatorisch adagium, maar het verband met de geschiedenis der volken bleef buiten beeld. In het volgend nummer, in het tweede deel van dit artikel, wordt gepoogd deze tekst zijn functionele plaats te geven in het geheel van de brief.

Aan Israël was de eer te beurt gevallen om Jezus voort te brengen. Dat wel. Maar met de kennis van zijn lijden en sterven werd voortaan alles in de Bijbel betrokken op het persoonlijk heil van de christen of het collectieve heil van de kerk. Ook vandaag tref je dat nog aan in genoemde kringen. Om dat heil te verzilveren moet je de christelijke belijdenis ondertekend hebben en in de kerk zitten. Tot de jongste dag. En dus valt Israël buiten het heil. Dat ‘moeten’ is het typisch christelijke wetticisme. En het veroorzaakt ook passivisme in het ongeschreven “dogma”:  wij kunnen helemaal niks! In die kerk als wachtkamer gebeurt dan ook meestal niet nog iets anders dan navelstaren, met alle tobberijen van dien, tot we naar de hemel gaan, “als we tenminste maar uitverkoren zijn…” Goede werken zijn te wantrouwen; met de brief van Jacobus weet Luther zelf immers ook geen raad. Het lijkt erop dat Bonhoeffer die brief beter heeft begrepen want voor hem is geloven = gehoorzamen en gehoorzamen = geloven; dat is navolging. Tegen Abraham zei God: ga! En hij ging. Daarom kwam hij in het beloofde land.

Dietrich Bonhoeffer (Nachfolge) vat het allemaal samen en spreekt van het schijnleven van de goedkope genade. Jacobus duidt met “dood geloof” op hetzelfde. Want gaat het nu om weten en onderschrijven? Dan zijn we z.i. niet verder dan de duivel. Dan is onze redding niet aan de Redder te danken maar aan ons christen/kerklid zijn. Dit is wat Bonhoeffer religie noemt.

Het geloof van de goedkope genade maakt van de kerk een geblindeerd klooster. Binnen de muren van onze religie is het veilig toeven. Daarbuiten is de boze wereld. Luther had echter wel geleerd dat hij het klooster uit moest, de wereld in. De vaak verkeerd begrepen Bonhoeffer moest ook niets van het klooster hebben. Wij hebben hier op aarde geen veilig christelijk “klooster”, geen veilige religie die ons beschermt tegen de duivel. Wie dat denkt heeft hem al binnen gehaald.

Paradoxaal gezegd: het geloof van de goedkope genade is ook vandaag nog springlevend.  Vandaar ook dat Israël voor deze christenen nog steeds buiten het heil valt, want dat is niet afhankelijk gesteld van Christus, maar wordt afhankelijk gemaakt van onze handtekening onder de christelijke belijdenis. Zo is er ook voor Israël geen belangstelling meer.

Vandaar dat het goed lijkt om de brief aan de Romeinen nog eens opnieuw te lezen, zonder lutherse bril. Niet vanuit Luthers benauwde situatie, maar vanuit de positie van luisteraar in Rome.

 

effect en Wirkungsgeschichte

Helaas is dit geloof van de goedkope genade wel vaak het effect van Luthers getuigenis geworden – terwijl hij dat aanvankelijk zo niet bedoelde, nemen we aan. Maar hoe ging het verder? Je vraagt je wèl af: wat heeft de genade met Luther gedaan? Hoe kan het dat hij aan het eind van zijn leven zo wreed werd over de Joden, zo onbarmhartig op hen inhakte? Omdat ze zich door hem niet lieten overtuigen van zijn christelijk geloof? Lijkt hij daarin mutatis mutandis niet op de man die zijn medemens bij de keel greep nadat hem zelf de schulden waren kwijt gescholden? Wie zijn laatste geschrift leest, Von den Juden und ihren Lügen raakt er compleet ondersteboven van en een protestants hartzeer over deze reformator doet zich gevoelen. Wat ontzettend verdrietig dat het Joodse volk ook door hem nog weer verder van Jezus is verwijderd geraakt. Als we dit echter liever in de doofpot willen doen, om hem, als behorend tot onze goden, de hand boven het hoofd te houden, staan we niet in de navolging van Jezus, die zelf voortdurend bezig was met niet alleen genezingen maar ook met de ontmaskering van wat niet deugde, onderstreept in de tempelreiniging. Bij schijnheiligheid gebruikte Hij scheldwoorden. Zijn woorden waren bepaald niet altijd “zoet” en worden in Hebreeën zelfs vergeleken met een tweesnijdend scherp zwaard.

De langdurige verguizing van de Joden is de meelopende schaduw van dat christelijke wetticisme, dat ontspringt aan christelijke hoogmoed.

Een ander effect is ook dat de wereldgeschiedenis in de kerk uit beeld raakte. Dat hing weer samen met het feit dat hier op aarde niets meer te verwachten viel voordat de jongste dag zou aanbreken. Dat hoefde ook niet – wij waren toch gered? Ietwat triviaal gezegd: passen op de winkel was het enige. De verwachting van het koningschap voor Israël, met Jezus op de troon van David, daar hebben we het in de kerk niet over. Waar de profeten heen wezen, waar de psalmen over zingen, wat de engel Gabriël aankondigde, waar ook Jezus en de discipelen in Handelingen 1 met elkaar over spraken, de messiaanse vrede op aarde, is door de officiële christelijke kerk verworpen als te Joods. Openbaring 20 kunnen we dan ook wel net zo goed uit de Bijbel scheuren. Desgevraagd zegt de dominee dat de uitleg daarvan een heel ingewikkelde kwestie is… en hij begint er maar niet aan. Te lastig, want het gaat om het helderste hoofdstuk in een verder gecompliceerd bijbelboek en dus moet de uitleg dan je ongeloof gaan verdedige…

Tenslotte kan ook nog genoemd worden het geloof dat de wet, Gods Torah, door het evangelie zou hebben afgedaan. De oren lijken doof geworden voor wat Jezus leert, ze lijken vaak theologisch verstopt.

Ongeveer alle ingrediënten van de vervangingstheologie zijn geleverd door het geloof van de goedkope genade. En vice versa.

 

apostolische brieven

De bijbelse brieven zijn nooit geschreven voor de gezelligheid. Elke apostel had een zorg van waaruit hij pastoraal naar de pen greep. Zo is de eerste brief aan de Corinthiërs geschreven omdat Paulus had gehoord over verdeeldheid en partijschappen onder hen. Daar tegenover, tegenover die leuzen van “ik ben van Apollos” enz., stelde hij zijn evangelie van de gekruisigde Christus, en in dat verband zei hij: “onder u heb ik besloten niets anders te weten dan Christus en die gekruisigd” (1Cor. 2:2). Tegenover jullie dwaze leuzen zeg ik je dat alleen de gekruisigde Christus en Hij alleen jullie Man is – verder niemand. Niet mensen die jullie misschien hoog hebben, maar Deze, de vernederde. Geen goden tussen Hem en jou. Dan hinder je de kracht Gods die het evangelie is (1 Cor. 1:18 e.v.). Het lijkt me ook een sterk pleidooi tegen de dominocratie.

Ik sta wat langer bij deze tekst stil, omdat hij ook een rol speelt in wat ik noem het Luther-effect. Hij wordt in die sfeer vaak verkeerd begrepen omdat die twee kleine woordjes “onder u” niet zijn opgemerkt of niet zijn gehonoreerd. Ze wijzen naar de Corinthiërs. En ze hebben te maken met hun verdeeldheid. Nogal wat predikanten menen op grond van de geciteerde tekst echter ten onrechte dat de preek altijd moet gaan over het kruis, en dat heet dan Christocentrische prediking. M.i. staat Christus dan nog niet in het centrum, maar alleen zijn kruis, want zo horen we niet wat Hij zegt, wat Hij van ons vraagt en van ons wil, zo horen we Hem niet. Waar gaat het Hem om in zijn gemeente? Dat willen we toch weten en horen om Hem te kunnen volgen? Toepassing van deze tekst op de hedendaagse gemeente moet verdeeldheid en partijschappen betreffen, maar niet verkeren in een repeterende breuk van eenzijdige preken over het kruis, want dan wordt het kruis misbruikt als een mantra.

Deze tekst is in het Luther-effect ook misbruikt in de zin als zou er na Golgotha niets meer zijn gebeurd wat voor nu van belang is, en dus geen opstanding tot een nieuw leven nu. Nee, wij kunnen niks. Zo te horen lijkt het in de Bijbel alleen te gaan om de kruisiging als offer voor onze redding. En schuldvergeving – wat we verder ook doen? Als zou geen Torah meer gelden, geen verwachting meer bestaan voor Israël, geen verwachting van het messiaanse vrederijk onder “Jezus de Nazoreër en koning der Joden”. Het verbond met Abraham en Israël schuiven we maar definitief naar het verleden en is ook in de apostolische geloofsbelijdenis (niet van de Joodse apostelen!) overgeslagen als gepasseerd station – terwijl juist dat verbond op Golgotha vernieuwd is, en alles met de toekomst te maken heeft! (Jer. 31)

Net als elke brief moet ook de brief aan de Romeinen zijn specifieke bedoeling hebben, met het oog op wat nu net daar, in die concrete gemeente speelt.

 

de brief aan de Romeinen

Laten we het voorlopig als volgt formuleren: er waren in Rome problemen gerezen met betrekking tot de verhouding Jood-heiden. Een andersoortige verdeeldheid dus dan in de gemeente van Corinthe, met haar partijschappen.

Ging het in Handelingen 15 tegen de vermeende suprematie van het jodendom, in Rome wordt kennelijk op het jodendom neergekeken door de “Grieken”.

Dat Luther door deze brief is afgeholpen van zijn geloofsprobleem is geweldig en ook goed te begrijpen, maar daar gaat de betekenis van de brief niet in op. Mijns inziens ligt zelfs het zwaartepunt ergens anders. Paulus lijkt zelf de kern van zijn brief  – misschien wel onbewust – voor ons te markeren met zijn zeer persoonlijke emotie. Hoofdstuk 9 begint met zijn hartzeer over zijn volksgenoten en hoofdstuk 11 eindigt met jubelende lofprijzing over hen.

We willen in dit artikel de eerste acht hoofdstukken nalopen om te zien of die deze stelling kunnen ondersteunen, of zij prijsgeven waar Paulus met de brief naar toe wil.

 

hoofdstuk 1: Jood en heiden

Paulus is ontegenzeggelijk heel blij met de gemeente in Rome. Hij noemt het evangelie ook nu weer een kracht Gods tot behoud, voor de Joden in de eerste plaats maar ook voor de Griek. Hij beschrijft in hoofdstuk 1 verder de gruwelen van het heidendom die de gemeenteleden nu achter zich gelaten hebben omdat zij tot gehoorzaamheid des geloofs zijn gekomen. Gehoorzaamheid des geloofs is niet hetzelfde als het geloof: door het geloof leven zij nu immers heel anders. Bonhoeffer benoemt het verband tussen geloof en gehoorzamen en zaligheid. Het valt op dat Paulus hier ook de plaats noemt van zijn volksgenoten: eerst de Jood. Je zou toch denken dat dat nu even niet aan de orde was in een brief aan een gemeente die voornamelijk bestond uit heidenen (1:6). Waarom doet hij dat dan?

Met de Grieken zijn natuurlijk niet de bewoners van Griekenland bedoeld, maar niet-Joden in de tijd van het hellenisme, het Griekse denkklimaat dat ook bezig was Rome te veroveren. Er zijn maar twee soorten mensen op de wereld: Joden en niet-Joden oftewel de gojim, de heidenen. Paulus citeert Habakuk: de rechtvaardige zal uit geloof leven, en dat geldt evenzeer voor de Jood als voor de heiden.

 

hoofdstuk 2: geloofsgehoorzaamheid

Nu heeft Paulus het over de mens wie hij dan ook is. Allen zijn des doods schuldig. Oordelen over de ander kan dus helemaal niet. En God is in zijn oordeel volstrekt onpartijdig. “Verdrukking en benauwdheid zal komen over ieder levend mens die het kwade bewerkt”. En ook nu volgt: eerst over de Jood en ook over de Griek. Het is ook een volgorde die Paulus met nadruk vermeldt. Met het benadrukken van die volgorde (2:10) ontstaat een profetisch perspectief: ook de verlossing zal eerst de Jood bereiken en dan pas de heiden. Jezus zet straks zijn voeten op de Olijfberg en niet in de kerk (zeg ik er maar bij). Paulus spreekt vervolgens in het bijzonder over de Jood, en ook tot de Jood, maar deze gemeente (1: 6) zal niet heel veel Joden als lid hebben geteld.

De voorrechten van de Jood zullen hem niet ontslaan van de geloofsgehoorzaamheid noch hem redden van het oordeel. Het loutere feit dat hij besneden is zal hem niet baten. Als de onbesneden heiden zich houdt aan de geboden en de besneden Jood niet… Kortom, de Jood moet weten dat het aankomt op het hart. Daar zetelt het geloof, daar bevinden zich de uitgangen van het leven. Het gaat God om daders der wet, om geloofsgehoorzaamheid ingeloofsgehoorzaamheid. Bonhoeffer onderstreept dat.

Een zelfde soort vraag dringt zich op: Wat doet dit uitvoerige excurs over de Joden hier, aan het adres van deze gemeente te Rome die voornamelijk was samengesteld uit heidenchristenen?

 

hoofdstuk 3: de Joden bevoorrecht

Al stelt Paulus dat allen gelijk staan ten opzichte van Gods toorn en zijn genade, hij wist nooit verschillen uit. De Joden zijn bevoorrecht. Maar: allen vallen onder het oordeel, bevoorrecht of niet. In het licht van het evangelie van de genade valt er niets te roemen. Paulus benadrukt hier wel meteen Gods trouw aan zijn volk in vers 3! Waarom zou hij dat hier nu juist doen?

In de verzen 21-30 zal Luther begonnen zijn het evangelie te verstaan. In de vertaling van het NBG staat m.i. een hinderlijke vertaalfout. Het geloof van Christus is vertaald met het geloof inChristus. In het Grieks en in het Latijn staat een duidelijke genitivus: het geloof van Jezus Christus (vers 22). Zeker kunnen wij alle vertrouwen hebben in Jezus, maar het is zijn geloofwaardoor wij zijn gered – niet het onze. Niemand kan zich ergens op beroemen. Wederom noemt Paulus hier de Jood en de Griek als hij daarop wijst: “Of is God alleen de God der Joden?” Nee, er is  maar één God die besnedenen en onbesnedenen rechtvaardigt uit en door het geloof. Er worden twee verschillende uitdrukkingen gebruikt: ek pisteoos (zonder lidwoord) en dia tès pisteoos (met lidwoord). De besneden Jood die in het voetspoor van zijn aartsvader Abraham leeft uit geloof zoals bedoeld door Habakuk, en de heiden vanwege het (datzelfde) geloof – dat hij ondanks zijn andere afkomst heeft aangenomen.

Als we maar niet denken dat nu de wet buiten werking is gesteld! Integendeel: het geloofbevestigt de wet (vers 31). Kennelijk was deze opmerking nodig; waarom? Ik denk: tegen het geloof van de goedkope genade, die typisch heidenchristelijke ketterij. In vers 8 en in vers 15, en in het begin van hoofdstuk 6 wordt dit geloof van de goedkope genade door Paulus ad absurdum gevoerd en op die manier afgestraft. In het jodendom kan dit verschijnsel zich niet voordoen: de Torah is altijd in ere.

 

hoofdstuk 4: geloofsvertrouwen

Paulus legt hier nog eens uit wat hij bedoelt met geloof. De verhouding tussen wet en geloof wordt verder uitgewerkt als voorbereiding op zijn hoofdonderwerp, maar naar onze mening niet als zijn hoofdonderwerp.

In de geschiedenis van Abraham, toen de Torah er nog niet was, geloofde Abraham Gods beloften. Dat geloofsvertrouwen is in Gods ogen gerechtigheid. Abraham kon geen wet volbrengen die er nog niet was; hij was ook nog niet besneden. De gerechtigheid had hij dus niet verworven door zich te houden aan de geboden die er niet waren, maar hij had die gekregen door zijn geloofsvertrouwen dat uitkwam in zijn gehoorzaamheid aan het bevel om zijn omgeving verlaten en in zijn vertrouwen op Gods belofte inzake zijn nageslacht: hij zou vader worden van vele volken. Dat geloof werd hem gerekend tot gerechtigheid.

En dat, zegt Paulus, staat ook beschreven voor jullie als je geloofsvertrouwen gericht is op God die Jezus uit de dood heeft opgewekt; die is overgeleverd om de overtredingen van Jood en heiden, opgewekt om onze rechtvaardiging. Het geloof van Abraham zal ook in Israël en in de christelijke gemeente het geloof zijn dat Habakuk bedoelt en waarin Jezus als enige in volmaaktheid heeft geleefd tot het einde.

 

de hoofdstukken 5, 6, 7 en 8

Met deze hoofdstukken gaat Paulus nog verder de diepte in. Nu Paulus de juridische verhoudingen helder heeft vastgesteld: dat Jood en heiden ten opzichte van de wet en de genade en ten opzichte van elkaar elkaar volkomen gelijk staan, neemt hij Jood en heiden samen als hij het heeft over Adam en Christus, met “wij dan” (5:1). De gemeente in Rome is natuurlijk ook meer dan alleen maar het probleem wat er speelt. Paulus is niet alleen vermanende leraar maar ook pastor. Genade is het grote woord, maar van de genade uit groeit juist de geloofsgehoorzaamheid: “wij zijn der zonde gestorven” en dus wandelen wij in nieuwheid des levens, strijdend tegen de oude mens die pas verdwijnt bij onze dood. Wie zich volledig in dienst stelt zal die strijd aan kunnen. Wij zouden die strijd echter zonder de wet niet kunnen voeren: de wet doet zonde kennen, de wet is een lamp voor onze voet en onze bestemming is om broers en zusters te zijn van de eerstgeborene uit de doden. We zijn geen slaaf van de wet, maar van Jezus. Paulus bemoedigt en stelt hun en ons de hoop voor – de hoop waar hij het zelf ook van moet hebben, ook als hij denkt aan zijn volksgenoten.

Deze hoofdstukken 5 t/m 8 zijn, na die eerste vier, ook als logisch vervolg daarop te verstaan. Hij spreekt de gemeente nu helder toe als één hechte gemeenschap en bemoedigt haar in de strijd die te voeren is in de zekerheid van het geloof. Zij is met hem (Paulus zegt in deze hoofdstukken vaak ‘wij’) verbonden in Jezus Christus en niets kan haar daarom scheiden van Gods liefde.

 

samenhang

Het zij verre dat deze hoofdstukken onbelangrijk zouden zijn, want ze hebben in Paulus’ onderwijs en pastoraat een uitgebreide eigen kostelijke inhoud. Toch gaan we ze niet verder bespreken want het gaat in dit artikel om het verband, om de functie ervan in het geheel van de brief. Er is Paulus alles aan gelegen dat de gemeente begrijpt dat zij één is. Hem hadden signalen bereikt over heidenchristelijke hoogmoed ten opzichte van de Joden, die in de volgende hoofdstukken 9-11 ook expliciet wordt genoemd.

In Corinthe moest hij ingaan tegen de partijschappen en hij preekte: alleen Christus en die gekruisigd. In Rome moest hoogmoed worden bestreden en hij preekte: sola gratia, waaraan Jood en Griek beiden hun leven hebben te danken.

Zo nu en dan heb ik in de eerste vier hoofdstukken een vraag ingelast over het waarom van sommige opmerkingen van Paulus in die bepaalde context, en gestipuleerd dat hij in deze hoofdstukken twee groepen toespreekt in die ene gemeente, waar de Joden kennelijk een minderheid vormden (1:6). De Jood eerst en dan de Griek. Pas als hij beiden heeft gewezen op hun afhankelijkheid van Gods genade en meent de eenheid van de gemeente uit Jood en heiden op grond daarvan te hebben aangetoond, kan hij openlijk en expliciet de netelige kwestie in hoofdstuk 9 aansnijden waarbij hij zich ook persoonlijk zo betrokken voelt: dat zijn volk nog gescheiden van zijn messias leven moet. Het gaat er dan om hoe de gemeente in Rome (en onze gemeente) daarmee om moet gaan. Het gaat hem daarbij kennelijk niet alleen om die Joden die lid zijn van deze gemeente, maar om het volk dat zij vertegenwoordigen, zijn volk. Met de gestelde vragen bedoelde ik te wijzen op een rode draad in het betoog: de strijd tegen veroordeling van de ander, tegen de hoogmoed ten opzichte van de Joden en het jodendom.

Na de meest schitterende uitweidingen in 5,6,7,8 komt Paulus in 8:31 e.v. weer terug bij zijn uitgangspunt: niemand kan iemand beschuldigen. In 33: wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? Denkt hijzelf hiermee nu niet ook eerst aan de Jood?

Deze teksten in het slot van hoofdstuk 8 zijn m.i. een samenvatting van al het voorafgaande, ter inleiding op de hoofdstukken 9-11.

 

De bedoeling van Paulus’ brief aan de Romeinen (II)

                                                                                 

In de eerste acht hoofdstukken heeft Paulus laten zien dat de Jood en de Griek juridisch voor God gelijk staan, ten opzichte van de wet en ten opzichte van de genade. Er is voor geen van beiden stof tot roemen.Verschillen zijn er wel: dank zij de Torah gaat Israël voorop, als de eerstgeborene onder de volken, en dat blijft de chronologie in de geschiedenis van het komende vrederijk, zowel in de gerichten als in de uiteindelijke verlossing.

 

de pijn

Paulus profileert de hoofdstukken 9-11 met een wel zeer persoonlijke inleiding en een heel persoonlijke afsluiting. Het is waar: het Sanhedrin, als vertegenwoordiging van het volk, had Jezus verworpen ondanks zijn vele Joodse volgelingen – dat wist men in Rome. Voordat hij toekomt aan m.i. de kern van zijn brief spreekt hij uit persoonlijk intens verdriet te hebben (9:1,2,3): waarom hebben niet al zijn volksgenoten Jezus aangenomen? Het herstel van Israël (Handelingen 1) is – nog – uitgebleven en het volk gaat vooralsnog geen blijde toekomst tegemoet. Zij blijven wachten op een messias die zij nog niet kennen terwijl Paulus al weet wie het is. Tegelijk is hij ervan overtuigd dat God trouw blijft aan zijn volk, zoals hij impliciet in 8:33 al zei: “Wie zal de uitverkorenen Gods beschuldigen?” Deze tekst is m.i. een schakeltekst tussen de eerste acht hoofdstukken en 9-11. Hij benoemt nu eerst wat wij noemen het schisma en hij lijdt daar zwaar onder. Zozeer zelfs dat hij bereid is van plaats te ruilen. De diepte van zijn verdriet is haast evenredig aan zijn grote blijdschap over de hem geopenbaarde messias. Paulus snijdt de waaromvraag aan: waarom is hij bevoorrecht boven de anderen? Meestal stellen mensen de waaromvraag als zij in benarde omstandigheden verkeren; hier gebeurt het omgekeerde. Terwijl zij toch allen Israëlieten zijn! – en om te onderstrepen hoe erg hij het vindt noemt Paulus  voor de gemeente van Rome nog eens uitgebreid de voorrechten van Israël: zelfs Christus behoort tot hen! En hij voegt daar aan toe: amen! Dat zet de toon voor 9-11, dat geeft hem grond onder de voeten ten overstaan van deze voornamelijk heidenchristelijke gemeente.

 

verkiezing                                                                                                                 

Deze emotionele geloofsuiting vormt de inleiding van 9-11. Het vertrouwen op Gods beloften schept ruimte om met vrucht na te denken over de verhoudingen die in Rome problematisch lijken. Paulus gaat uit van dat ‘amen’ en begint dan hardop te denken, misschien ook wel voor zichzelf, maar dan natuurlijk tegelijk voor de lezers van de brief. Zijn betoog begint in 9:6, geparafraseerd: “Het kan toch niet zo zijn dat een woord van God leeg ter aarde valt?!” Hoe zit dat dan, met dat schisma? God blijft zijn volk trouw, dat staat vast, amen, maar binnen dat volk, binnen de door Hem eenmaal gekozen kring van de lijfelijke nakomelingen van Abraham maakt God verder scheiding; dat is vaker (bijv. in Genesis 1) Gods werkmethode. Scheiding, eerst, tussen Ismaël en Izak. Inderdaad beiden zaad van Abraham, maar daar gaat nog iets bovenuit. God bindt zich niet aan biologische wetten maar wel aan zijn eigen Woord. Zijn woord heeft hij gegeven aan Abraham en diens nageslacht, maar die belofte gold het kind van hem en Sarah. Izak was de beloofde, niet Ismaël, die terzijde wordt geplaatst, evenals later Ezau.

In het geval van Izak kunnen we nog iets begrijpen, want we hadden immers de belofte gehoord die Sarah betrof, en niet Hagar. In het geval van de tweeling van Rebecca wordt de soevereiniteit van Gods keus nog duidelijker omdat die juist menselijk niet meer te begrijpen valt. Ook aan menselijke wetten en gewoonten is Hij niet gebonden. Als er een tweeling wordt geboren wijst God aan dat Jakob de lijn is, en niet de eerstgeborene, niet Ezau. God kiest Jakob uit nog voor de tweelingen goed of kwaad hadden gedaan, nog voor hun geboorte zelfs. Jakob houdt Ezau’s hiel vast tijdens de bevalling. Een diepzinnig gegeven, multi-interpretabel. Maar de naam Jacob betekent: vasthouder. Dit scheiding maken heeft gevolgen voor de geschiedenis der volken.

Uit deze werkwijze van God trekt Paulus de logische en belangrijke conclusie dat Gods genade niet afhangt van biologie, niet van mensenwetten, niet van de vraag of iemand wil, of hoe hij loopt/zich gedraagt, maar uitsluitend van God zelf die bepaalt.   Paulus zal hierbij ongetwijfeld aan zichzelf, aan Saulus, hebben gedacht.

Van de twaalf zonen van Jakob wordt niet één meer terzijde geschoven. Zij vormen de stammen van het nu complete volk Israël, genoemd met de nieuwe naam van Jakob de vasthouder. Door zijn vasthouden had hij de zegen verkregen die hoort bij het eerstgeboorterecht, en door zijn vasthouden na Lea ook toch Rachel verworven. In deze vasthoudendheid is hij teruggekeerd naar zijn geboortegrond en heeft hij onderweg in de strijd bij de Jabbok overwonnen, zij het niet zonder schade. Naar hem is het volk genoemd, maar dan met zijn nieuwe vorstelijke naam Israël: vorst en strijder van God. Wie is de overwonnen engel? In de Joodse traditie staat hij voor Ezau-Edom, die in verband wordt gebracht met keizerlijk Rome en ja, ook met het kerkelijk Rome. Wonderlijk dat Paulus het juist hier heeft over de verkiezing van Jakob boven Ezau.

Het kernwoord van deze verkiezingen blijkt voor de verkozenen weer te zijn: genade. Je beroepen of beroemen op het zaad van Abraham heeft geen zin, want Ismaël werd gepasseerd. Ook mensenwetten gelden niet bij God. Alles hangt uitsluitend af van Gods keus. Wie zal hem dat recht afstrijden? Ook de pottenbakker bepaalt zelf de bestemming van zijn werk. En ieder die gelooft ervaart Gods keus dan ook als genadige ontferming. De gelovige kan om die reden ook de ongelovige niet veroordelen.

We herkennen duidelijk een thema van de eerste acht hoofdstukken, of moeten we zeggen het hoofdthema van de eerste acht? Door namen te noemen werkt Paulus dit thema nu historisch concreet uit; hij vult het in: Gods uitverkoren volk onder de volken is het huis van Jakob/Israël. De heidenchristenen mogen dit niet vergeten.

De verkiezende genade of genadige verkiezing van Israël heeft impact op de omgeving. Ten goede of ten kwade. In overeenstemming met wat in Genesis 12 was gezegd over zegen en vloek. Hoewel Ruth geen zaad van Abraham was wordt zij in Israël opgenomen, wat ook geldt voor hen die haar geloofsbelijdenis naspreken en zich houden aan wat Paulus over de volgorde heeft gezegd. Daarentegen zal de herinnering aan Amalek onder de hemel worden uitgewist.

Bij die positieve uitstraling van Israëls verkiezing geldt eveneens: niet wat jij als niet-Jood wilt of doet, maar zijn ontferming alleen. Jouw Israël-liefde is geen verdienste waarmee je de zegen als beloning binnenhaalt. Het is een genadegave als je ogen worden geopend voor Gods heilsplan, en het liefhebben van Israël is daaraan inherent.

Deze toevoegende uitstraling wordt misbruikt door christelijke antizionisten als Henri Veldhuis, die beweert dat God “dus” geen etnos maar een geloofsgemeenschap kiest [1]. Hij heeft het niet begrepen. De twaalf stammen vormen een volk, een etnos, via afstamming, middels Sara en Rebecca, Lea en Rachel, zoals beloofd was aan Abraham, Izak en Jakob. En lieverdjes waren het niet, die twaalf! Niettemin heeft dat ene volk een centrale functie in Gods plan, een hoofdrol, en Jezus, als het hart van dat volk, heeft de sleutelrol.

Juist de etniciteit van Israël roept altijd weer verzet op. In de tijd van de zgn. Verlichting kwam ruimte voor het jodendom, maar nationale aspiraties werden met bijtende spot van o.a. Voltaire bejegend; de Joden mochten alleen een geloofsgemeenschap vormen.

Vandaag worden zelfs theorieën ontwikkeld die zouden aantonen dat het Joodse volk geen volk is (Shlomo Sand e.a.). Maar de Bijbel is niet vaag: één volk gaat voorop uit alle volken. Een goi kadosh onder de gojim. Drie aartsvaders, twaalf stammen. Er is zeker sprake van aangroei, maar dan toch aangroeiaan Israël. Om deze logica kunnen Sand noch Veldhuis c.s. heen, of ze nu hoog springen of laag.

 

Gods toorn en Gods machtsopenbaring  

Zijn vermeende opponenten werpen Paulus tegen dat God dus eigenlijk geen recht van klagen heeft over de ongehoorzaamheid. We kunnen wel zeggen, en Paulus zegt het dan ook, dat deze brutale vraag de plank mis slaat. God ontfermt zich over zijn door mensen bedorven schepping. En Hij kiest in zijn bevrijdingsplan de zijnen uit als instrument. Paulus zelf wordt ‘een uitgelezen instrument’ genoemd in Handelingen 9:15.

In Rom. 9:22 lezen we dat Paulus ook wijst op de andere kant: dat God zijn toorn wil uiten en zijn macht wil openbaren. Toorn waarover? Waarover anders dan over het kwaad? Zijn macht openbaren – aan wie anders dan aan vermeende machthebbers zoals bij voorbeeld de farao en de keizer? Dat blijkt uit heel de Schrift, maar misschien vooral uit het boek Job. En dit bijbelboek laat zien dat de knecht van God voor Hem hierin een belangrijke rol heeft te vervullen.

 

excurs : Het boek Job als profetie over Israëls geschiedenis vertelt ons dat Gods toorn ten diepste de satan betreft, die Hij bezig is definitief te verslaan door het vasthoudende geloof van zijn uitverkoren knecht Job, Israël, Jakob (de vasthouder). De satan die zich bedient van genoemde machthebbers maar evengoed van onze naaste, bijv. Jobs vrouw.

“Of hij U niet zal vaarwel zeggen” had de satan geïnsinueerd. Daar ging het om, en daar gaat het nog om in Israël. De worsteling van Job roept associaties op met de strijd bij de Jabbok. Wie was die duistere engel? Wordt in het boek Job niet ook iets openbaar van de kern van de metageschiedenis: de satan moet door Gods uitverkoren knecht overwonnen worden door diens vasthouden aan zijn God. Er is sprake van een strijd die wij met het blote oog niet kunnen waarnemen. Dat kon Job ook niet. En ook Jakob moest vragen naar de naam van de engel die in de nacht met hem streed. Beiden komen niet ongeschonden uit de strijd. Jakobs heup is ontwricht en tien kinderen van Job (tien stammen?) zijn omgekomen. Maar: dubbele vergoeding valt Job ten deel en de dubbele vergoeding is ook Israël toegezegd.

De rol van Israël is in de wereld cruciaal – als de rol van Job in het gelijknamige Bijbelboek.

 

de Griek en de synagoge

Paulus wijst er op dat het God niet genoeg is dat alleen Israël Hem dient: ook de heidenen, die eveneens zijn schepselen zijn, wil Hij daarin betrekken. Eerst waren zij niet zijn volk. Op grond van het evangelie van Jezus de Rechtvaardige en de Opgestane mogen de heidenen die zich van de afgoden hebben bekeerd zich rekenen tot de kinderen van de levende God, die in Athene onbekend was.

Voor ons als lezers anno nu wekt Paulus vervolgens misschien de indruk dat hij de synagogein het algemeen  – tegenover de Joodse christenen – wetticisme zou verwijten. Omdat hij citeert over ‘een rest’, uit Jesaja, kan ons misverstand zelfs nog groter worden: het zou kunnen dat we in onze slordige argeloosheid nu menen dat hij de Joden van de synagoge beschouwt als gelijk geworden aan nota bene Sodom en Gomorra… Dat zij verre, zou Paulus zelf zeggen. Bij nauwkeurig lezen blijkt namelijk dat hij juist het tegenovergestelde zegt: dat dat niet is gebeurd, dank zij een rest (9:29). En de rest die Jesaja bedoelt kan eenvoudig niets te maken hebben met de christelijke gemeente – die was er niet. Die rest is altijd: de groep getrouwen – als een onderpand voor het hele volk. Ook voor Elia een troost, net als voor Paulus.

Welk punt wil Paulus dan maken? Hij wil m.i. wederom de geloofsgehoorzaamheid naar voren schuiven waar het God om gaat tegenover de gehoorzaamheid van de Streber; dat was ook zo in de tijd van Jesaja, toen er van een christelijke belijdenis geen sprake kon zijn. Zonder geloof in Gods belofte verkrijg je de belofte niet, geen gerechtigheid. Welk geloof? Exclusief het christelijk geloof? Nee, breder en dieper: het geloof van Noach, van Abraham, David en Hebreeën 11. In dat geloof mogen de wilde loten bij enting op de edele olijf meedoen via het evangelie dat de scheidsmuur tussen Israël en de volken is afgebroken in Jezus Christus. Ook de Griek mag komen. Maar laten we ons, tegen de misleiding van de goedkope genade, de woorden van Jezus te binnen brengen: “indien uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de Farizeeërs…” Dat kan alleen in de geloofsgehoorzaamheid. In de zin van de Nachfolgevan Bonhoeffer. Of: zoals Jacobus bedoelt. Die gerechtigheid die overvloediger is wordt ons in de navolging toegezegd, beloofd.

Het wetticisme dat Paulus afwijst heeft niets te maken met het houden van de geboden (heilig en goed), maar met zijn eigen grote misvatting van vroeger: dat hij er zelf voor zorgen kon dat hij rechtvaardig was. Ook door de christelijke gemeente te vervolgen die daar anders over dacht. Hij zou “Gods orde” wel handhaven met veroordeling en vervolging; dat is een vorm van wetticisme.

In vers 32 wordt duidelijk wie Paulus dan wel bedoelt. Niet de synagoge zoals wij die kennen, niet de synagoge als zodanig, maar wel de Joden en (de christenen) die ijverden om de gerechtigheid te verkrijgen tegenover het volk “dat de wet niet kent”. Bovendien sloeg de goed bedoelde ijver zonder verstand, d.w.z. zonder geloofsgehoorzaamheid, om in jaloersheid op het “succes” van Jezus. Zo ook bij Saulus.

Wie bedoelt Paulus hier met Israël – is dat zijn hele volk? Ja en nee. Hij beoogt hier met die naam de vertegenwoordigers, de verantwoordelijke leidslieden, die de schare de toegang hebben versperd (de goeden niet te na gesproken natuurlijk). Als hij zo generaliserend lijkt te spreken moeten we ons goed bewust maken dat hij het heeft over de tijd van zijn generatie. Over zijn eigen historische context. Over leidslieden die Jezus zonder reden hebben gehaat; en dat waren Paulus’ opvoeders (de goeden niet te na gesproken!), dat was het Sanhedrin, dat ook Stefanus liet stenigen, waarbij Paulus als jongen nog assisteerde, menende God een welgevallige dienst te bewijzen. (Tegen het advies van zijn leermeester Gamaliel in: Hand. 5:34 e.v.) Hij werkte toen nog aan zijn rechtvaardigheidscarrière door op de verkeerde manier te ijveren voor Israëls behoud. Helaas, omdat deze verantwoordelijke lieden toch de meerderheid achter zich (of onder zich) hadden, kan hij in vers 31 spreken van Israël, maar met een focus op de vertegenwoordigende leidslieden als een pars pro toto. Net zoals in het buitenland over Nederland gesproken wordt terwijl men dan onze regering bedoelt.

Als Paulus geweten had hoe de heidenchristelijke kerk hiermee aan de haal is gegaan zou hij – zei een goede vriend – zich nog vele malen scherper hebben uitgedrukt.

Waar wordt gehoorzaamheid des geloofs gevonden? In een kerk die de Joden nog nooit  jaloers heeft gemaakt met een heilige christelijke levenswandel? In een kerk die meent Gode een dienst te bewijzen met haar anti-judaisme, haar vervangingstheologie en haar hedendaags christelijk antizionisme?

 

Paulus en Mozes

Aan het begin van hoofdstuk 10 gaat het opnieuw over de generatie uit de dagen van Jezus en die van Paulus. Opnieuw dreigt een misverstand dat in de kerk veel schade heeft aangericht: in vers 5 lijkt hij Mozes en de wet in tegenstelling te brengen tot de rechtvaardigheid uit het geloof. Waarom zijn we toch zo slordig; we moeten beter lezen! Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, met de wet in de hand. Het is volkomen waar wat hij zegt: wie deze dingen doet zal daardoor leven! Maar in de geschiedenis blijkt er dan uiteindelijk maar één te zijn “die deze dingen doet” in volmaaktheid. Hij wordt daarom door Paulus in vers 4 telos van de wet genoemd: de wet doelt op dat volmaakte leven.Mozes had al gezegd: het is geen kwestie van hoog klimmen of diep afdalen: nabij u is het woord. Wat kan Mozes daarmee anders hebben bedoeld dan: in het geloof dat zetelt in het hart – dan immers vervul je de wet in de liefde. Mozes kent Jezus nog niet, maar wel het geloof. Dat begint niet pas met het NT.

Paulus heeft Jezus ontmoet, Paulus weet dat Hij die enige is – die de wil van zijn Vader volkomen heeft vervuld. Alle anderen hebben jaarlijks verzoening nodig op Jom Kippoer. En dagelijkse bekering.

Het woordje ‘maar ’ aan het begin van vers 6 suggereert een tegenstelling die er niet is. In het Grieks staat echter het woordje δὲ en niet ἀλλα. Dat wil zeggen dat vers 6 losjes aanhaakt bij vers 5. Je zou beter kunnen vertalen: en de gerechtigheid uit het geloof zegt… (volgt wat Mozes al zei).

Je zou in dit verband Jezus niet alleen het doel maar ook het bewijs van Mozes’ woorden kunnen noemen, want: Hij leeft. In Romeinen 1:4 staat het al: “naar de geest der heiligheid door zijn opstanding verklaard/bewezen Gods Zoon te zijn in kracht”. Deze grote zoon van David heeft het volbracht! Als mens! God geeft en stelt de wet, en Adam, de mens, moet die aanvaarden om te leven. Jezus is de tweede Adam. Hij is Gods mensenzoon, DE mensenzoon.

 

Wat Paulus in vers 9 zegt is bedoeld voor de heidenchristenen te Rome. Niet Mozes heeft tot hen gesproken – dat horen ze later wel (zegt ook Jacobus in Handelingen 15), maar zij hebben vernomen het evangelie omtrent die Ene. Zij hebben erkend dat Hij Heer is, kurios in plaats van de keizer, en dat God Hem uit de doden heeft opgewekt. Ook de Griek. Uit vers 14 en 15 blijkt dat Paulus de heidenen bedoelt.

In vers 16: “maar niet allen”. Nu bedoelt hij voornamelijk zijn volksgenoten en komt hij terug op het schisma binnen Israël. Paulus nadert aan de ontknoping in vers 19 en 20, als hij Jesaja en Mozes erbij haalt: Hij is gevonden door wie Hem niet zochten… en Mozes heeft het over na-ijver. Hij besluit 10 met een citaat uit Jesaja: “de ganse dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk”. Maar onmiddellijk stelt hij in 11 de voor hem retorische vraag: God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet.

In 10:19 kwam weer de diepte van de geschiedenis boven: Mozes en Jesaja, die beiden de geloofsgehoorzaamheid in het volk misten en zich daarover beklaagden. NB nogmaals: zij hebben het dan werkelijk niet over het christelijk geloof.

Geloofsgehoorzaamheid, echte vroomheid, een heilige levenswandel, is geen prerogatief van de kerk. Zie ook Hebreeën 11, een nieuwtestamentisch hoofdstuk met uitsluitend geloofsvoorbeelden uit het OT.

 

het onderpand  en het geheimenis

In 11 noemt Paulus zichzelf als een voorbeeld van het feit dat God zijn volk niet heeft verstoten; hij is namelijk een Israëliet uit de stam Benjamin. Dus? Hij en zijn Joodse medestanders staat op één lijn met die zevenduizend ten tijde van Elia, hier opgevoerd als troost; ook voor Paulus zelf. Nogmaals: dat waren geen christenen, maar dat waren de vromen die weigerden hun knie te buigen voor de baäls, het waren: de geloofsgehoorzamen. Alleen zij konden open staan voor Jezus, zoals Jezus ook zelf heeft opgemerkt. Paulus hoorde daar aanvankelijk zelf niet bij…

Weer kun je de verkeerde indruk krijgen dat Paulus hier alle Joden van de synagoge veroordeelt omdat zij geen christen willen zijn. Nee, het voorbeeld betreft, als steeds, de geloofsgehoorzaamheid. Met ongeloof bedoelt hij de geloofsongehoorzaamheid die de hele geschiedenis van Israël vaker op het spel heeft gezet, reeds lang voor Jezus’ dagen, te beginnen bij de tocht door de woestijn, de tijd van richteren, de koningen en zo voort. Die ongehoorzaamheid des geloofs wordt in deze hoofdstukken expliciet genoemd in bij voorbeeld 10:21. Dat die geloofsongehoorzaamheid uit moest lopen op het verwerpen van Jezus wekt geen verbazing. “Indien jullie Mozes hadden geloofd” zegt ook Jezus. Met zijn hartzeer bevindt Paulus zich in tweede instantie in het gezelschap van Jezus die weende over Jeruzalem.

Vers 8 herinnert weer aan het gericht uit Jesaja. Maar laat men in Rome niet denken dat dit betekent dat het volk, dat zijn volk, nu door God is verstoten: dit alles, deze geest van diepe slaap (11:8), is van God afkomstig. Ook Jozef plaatst de ongeloofsdaad van zijn broers in Gods plan. Zou je dit ook mogen vergelijken met de diepe slaap die Adam overmande toen Eva werd gebouwd uit zijn rib? In elk geval brengt Paulus deze diepe slaap van Israël in verband met het ontstaan van de heidenchristelijke kerk, die voortkwam uit de eerstelingen van Israël, gebouwd werd uit een rib van Israël.

Zij zijn dus niet zo gestruikeld (vers 11) dat zij uit Gods trouwverbond zouden zijn gevallen. Eigenlijk staat er: “ik zeg <jullie> derhalve” – legoo oun – (en niet: ik vraag dan): “ze zijn wel gestruikeld, maar niet gevallen”. Paulus denkt hier vast weer terug aan dat ‘amen’ uit het begin van hoofdstuk 9.

Paulus komt nu toe aan het expliciet aanspreken van de heidenchristenen in Rome. Nu gaat hij hun probleem aansnijden.

Hoezeer hij ook de heidenchristenen liefheeft: het hemd is nader dan de rok, want wat acht hij de heerlijkheid van zijn bediening? Dat zijn volksgenoten jaloers zullen worden op de heidenchristelijke geloofsgehoorzaamheid, op hun heilige wandel. Als zij namelijk daardoor Jezus als hun messias zullen aannemen..  wat zal hun aanneming (van de messias) anders zijn dan… dan zul je gaan beleven wat vergeleken kan worden met de opstanding uit de dood. Hij en de volksgenoten die Jezus wel hebben aangenomen zijn de garantie, het onderpand en bewijs dat God zijn volk nooit loslaat. “Zijn de eerstelingen heilig dan ook het deeg”. Er is toekomst voor Israël, er is een geheimenis in de geschiedenis.

Voor Israël wordt vaker het beeld van de olijf gebruikt. Paulus doet dat ook en het is ontroerend dat hij schrijft dat enkele takken zijn weggebroken. Je denkt even aan een eufemisme, maar als je aantallen vergelijkt in de historische contekst van de uitbreiding van de heidenchristelijke gemeenten die de overgrote meerderheid beginnen te vormen in de christelijke gemeente, dan zijn het  inderdaad slechts ‘enkele’ takken. Als Israël terugkeert naar het geloven van Mozes dan zal het gaan gebeuren, weet Paulus. Dan zal Jezus met zijn volk worden herenigd zoals Jozef met zijn broeders.

Over het tijdstip bestaat verschillende uitleg. Want wat betekent “de volheid der heidenen”? Is dat de maatbeker van het kwaad, zoals destijds bij de Amorieten? Of wordt bedoeld dat de heidenen inderdaad hun geestelijke volheid bereiken zodat Israël jaloers wordt? Of wordt bedoeld dat God een getal beoogt, dat vol moet worden. We zien het wel. In vergelijking met Lukas 21:24 wordt de eerste uitleg hier het meest waarschijnlijk. In elk geval: de verlosser zal straks uit Sion komen en niet uit de kerk.

Aan het eind van zijn betoog vergelijkt hij de geloofs-on-gehoorzaamheid van Israël met die der onbekeerde heidenen. Hij komt terug nu op het thema van de eerste acht hoofdstukken in vers 32: voor God staan allen schuldig en Hij wil over allen ontferming. De heidenchristenen moeten dus maar eens eventjes terugdenken aan hun eigen verleden…

De kwaal in de gemeente van Rome was hoogmoed tegenover jodendom en synagoge. Jullie vergeten, zegt Paulus, dat de wortel van de edele olijf jullie draagt. Draai de zaak niet om. “Wees niet hoogmoedig, maar vrees”.  Dit is de kern van de kern van de brief aan de gemeente te Rome.

Helaas heeft de kerk niet geluisterd en daar in Rome, dat het centrum van de wereldkerk werd, is de geloofs-gehoorzaamheid verstikt door de theologie van de substitutiegedachte en het anti-judaisme, die de kerk heeft losgemaakt van de wortel en zijn voedende sappen. Haar zogenaamde gehoorzaamheid vervolgde het eigen volk van Jezus zoals Paulus vroeger zijn Joodse volgelingen had vervolgd.

Dat deze drie hoofdstukken de kern vormen van de brief lijkt onderstreept door die hoogstpersoonlijke omlijsting. Paulus begint 9 met zijn verdriet, waarbij tegelijk Gods trouw aan zijn volk met een amen werd bekrachtigd, en 11 eindigt hij met een lofprijzing, waarin een citaat uit Job! (Jb 41:2), en ook nu bekrachtigt hij zijn woorden met: amen. Het komt goed!

Er is geen ruimte meer om de andere vijf hoofdstukken nog uitvoerig te bespreken. Voor ons doel ook niet nodig. Een gemeente gaat gelukkig ook niet helemaal op in het probleem dat daar speelt, en dus komen ook andere zaken aan de orde, zoals bij voorbeeld de (Romeinse) overheid, maar hier en daar komt de kern van de brief als zodanig toch telkens weer naar voren.

Zo benadrukt Paulus in 12 de eenheid van de gemeente, en het hoofdstuk eindigt in prachtige door Paulus zelf geformuleerde geboden, die de gehoorzaamheid des geloofs vorm geven. In 13 komt de overheid ter sprake, in Rome met zijn keizercultus actueel, ook weer eindigend in geboden/vermaningen. In 14 gaat het nog eens weer over oordelen en het liefdegebod dat boven alles gaat.

Tenslotte: heel belangrijk voor ons onderwerp – het thema van de verhoudingen – is in 15 de passage van vers 7 t/m 10. Eerst weer de aanvaarding van elkander (Jood en Griek) en dan de opmerking dat Christus als dienaar van de besnedenen de beloften aan de vaderen van Israël kwam bevestigen, vanwege Gods waarachtigheid. Laten de heidenen dit toch niet vergeten! Hij wijst vervolgens op de ontferming over de heidenen en zegt dan, citerend: “verheugt u heidenen met zijn volk”!  Op wie zullen eigenlijk de heidenen hopen? Vers 12: op de wortel van Isai die zal opstaan en over de heidenen regeren. Dat is Jezus, de koning der Joden.

Voor de kerk is van wezenlijk belang te her-ontdekken dathet evangelie niet ophoudt bij Golgotha (de conditio sine qua non) maar dat het daarna pas goed begint en toekomstgericht is voor deze aarde! Daarom is het belangrijk om als kerk te gaan beseffen dat al onze bemoeienis met de wereld, dat al onze goeie bedoelingen zinlooszullen blijken als zij zich niet laat voeden door de sappen van de edele olijf die het geloof van Abraham infuseren. Zonder die voeding zal de kerk langzaam maar zeker verdorren.

Als de kerk zich wil bekeren van de door Paulus in Rome al waargenomen hoogmoed zal zij zich in Jezus’ naam in geloofs-gehoorzaamheid scharen achter en rondom Israël met de belijdenis van Ruth: uw volk is mijn volk. In onopgeefbare verbondenheid. Dat zal wel z’n konsekwenties hebben in deze anti-zionistische wereld. In het slothoofdstuk wordt in vers 25 en 26 nog eens de grond genoemd voor Paulus’ visie op de verhoudingen: het geheimenis dat is geopenbaard (eerst de Jood maar ook de Griek). De bekendmaking daarvan zal gehoorzaamheid bewerken onder alle volken. Hier ligt Paulus missie.

(redactie):  een lezer van dit blad heeft geattendeerd op Klaus Wengst, een hedendaagse Duitse nieuwtestamenticus, die ook in dezelfde richting denkt over de brief aan de Romeinen: het gaat daarin om het probleem van Israël en de volken. Hij wijst erop dat Luther zijn strijd tegen de RKK van zijn dagen projecteert op Paulus: als zou die een zelfde strijd hebben opgenomen tegen de synagoge. Maar ook Wengst is de mening toegedaan dat de brief zijn eenheid ontleent aan de kern van de brief, die de verhouding betreft tussen Jood en heiden oftewel Israël en de volken.


[1] Zie zijn brochure De muur is afgebroken. Het Israëlisch-Palestijnse conflict in het licht van christelijk geloof en internationaal recht, besproken in Israël en de Kerk 11/3, december 2012

Bron: http://www.werkgroep-vanuitjeruzalem.nl