Boerka is tribaal-religieuze waanzin

Foto: TLG
Leon de Winter

Sir Charles James Napier, de Britse gouverneur van India halverwege de negentiende eeuw, is hier al vaker vermeld – maar vooruit, nog een keer, want we vergeten snel.

In India bestond het intrigerende religieuze gebruik van ’sati’. De oorsprong van het gebruik is niet duidelijk, maar het was al vroeg onderdeel van hindoeïstische rituelen. Wat is ’sati’? Wanneer een man sterft en wordt gecremeerd, dan dient op zijn brandstapel ook zijn levende weduwe te worden verbrand.

Sir Napier vond dit gebruik afstotelijk en besloot het sati-ritueel te verbieden. Hindoepriesters beklaagden zich over zijn verbod aangezien dat hun religieuze vrijheid inperkte. Vervolgens zou Napier, aldus zijn broer (die de bron is van dit verhaal), het volgende hebben gezegd: ’Goed, laat sati doorgaan. Het verbranden van weduwen is uw gebruik; breng de brandstapel voor de crematie in gereedheid. Maar mijn land heeft ook een gebruik. Wanneer mannen vrouwen levend verbranden, hangen we ze op, nemen we hun bezittingen in beslag. Mijn timmerlui zullen dus galgen oprichten waaraan we iedereen gaan ophangen zodra de weduwe is verbrand. Laten we dus allen handelen naar onze nationale gebruiken.’

Respect voor religieuze gebruiken bestaat tegenwoordig opmerkelijk genoeg vooral in linkse kring. Nog niet zo gek lang geleden waren westerse linksen antireligieus, maar de laatste twintig jaar heeft zich een kentering voorgedaan: het verhullen van het gezicht middels de boerka bijvoorbeeld wordt door linkse vrouwen verdedigd. In een artikel in de Volkskrant verzetten twee vrouwelijke medewerkers van de Universiteit van Amsterdam zich tegen een mogelijk boerkaverbod. In hun ogen is Sir Napier zonder twijfel een xenofobe cultuurimperialist.

Zij schrijven dat een in 2005 ingestelde commissie meende dat een verbod ’op gespannen voet (stond) met de rechtsstaat en de mensenrechten’. Verzet tegen dit achterlijke gebruik, zoals verzet tegen ’sati’, komt niet in hun redeneringen voor. Zij verdedigen dat commissiestandpunt.

Sinds enkele eeuwen wordt er in het Westen Bijbel- en Thora-wetenschap bedreven. De analytische blik van de Verlichting heeft de historiciteit van christelijke en joodse kernteksten radicaal ondergraven. Wie wil blijven geloven dat de heilige teksten goddelijk geïnspireerd zijn, is daarin vrij – maar het blijft geloof. De nuchtere blik doet geen afbreuk aan het fascinerende en ontroerende van sommige van die teksten. Maar wie de Koran aan een dergelijke analytische blik wil onderwerpen, wordt met de dood bedreigd. In geen enkel islamitisch land wordt de Koran onderworpen aan tekstanalyse, aan bronnenonderzoek, aan de methoden van moderne wetenschap. Het gevolg? Kritiekloos geloof in geesten en djinns, in de apocalyps, in de heerschappij van de man over de vrouw, van de moslim over elke andere (on-)gelovige.

Onderzoek wijst uit dat de helft van alle moslims in Nederland vijandig staat tegenover homo’s en Joden. De islam staat geen gelijkwaardigheid van andersgelovigen toe, laat staan van ongelovigen. De suprematie van de islamitische leer staat buiten elke discussie. Dus wordt niets gedaan aan het ontleden van haar oorsprong en geschiedenis, bestaat er geen literatuur over de historische Mohammed, behalve die welke binnen de islamitische theologie past en de historiciteit van de daden en uitspraken van de profeet bevestigt.

In plaats van die barre omgang met een rigide religie aan de kaak te stellen, werpen die UvA-medewerksters zich op als verdedigers van een van de vele tribale fenomenen die in de islam vervat zijn: de positie van de vrouw, haar onderworpenheid aan de man, het ritueel van het onzichtbaar worden om daarmee het exclusieve recht op voortplanting van haar meester te waarborgen, de eer-schaamtemodellen die zich baseren op vrouwelijke eerzaamheid.

Er ligt een wetsvoorstel om de boerka te verbieden, en de UvA-medewerksters schrijven dat dat ’bijdraagt aan een steeds breder gedragen antimoslimtendens. Het is daarmee een bouwsteen van een almaar toenemende xenofobische politiek’.

Het dragen van een boerka is zeker een teken van xenofobie: van die van de moslima ten opzichte van alles wat niet tot haar familie behoort. Het dragen van een boerka is inhumaan, en onze gebruiken zijn erop gericht dat inhumane te begrenzen.

Waarom voelen die UvA-medewerksters zich geroepen de boerka te verdedigen? De linkse idealen zijn verwezenlijkt: we leven in een verzorgingsstaat van ongekende kwaliteit. De zwaksten zijn verheven, er is geen klassenstrijd meer. Maar er zijn, aldus postmodern links, nieuwe slachtoffers: migranten met een islamitische achtergrond. De UvA-medewerksters definiëren migranten als slachtoffers van westerse xenofoben, en daarmee scheppen zij een nieuw ideologisch kader waarbinnen zij, met verloochening van alle progressieve beschavingsidealen, achterlijke gebruiken als gezichtsbedekking kunnen verdedigen. Zij maken van islamitische migranten, en met name van de extremisten onder hen, nieuwe heiligen in een bij elkaar gerommelde slachtofferhiërarchie, die de erfgenaam is van achterhaalde neomarxistische prietpraat. Daar staan ze, onze vrijgevochten postmoderne UvA-vrouwen, voor de boerkadraagsters die terug willen naar de zevende eeuw. Wie een beeld wil van de term ’nuttige idioten’, hoeft niet verder te zoeken.

De vrouwen die een boerka dragen, dragen tribaal-religieuze waanzin. Een zelfbewuste moderne samenleving hoort daaraan, zoals indertijd Sir Napier deed, een einde te maken.

Bron: http://www.telegraaf.nl